Is het die of dat toilet?

dat toilet

Het is dat toilet, dus niet "die toilet".

Voorbeeld: Dat toilet is doorgespoeld.

Het aanwijzend voornaamwoord bij "toilet"

Bij het woord toilet gebruik je het aanwijzend voornaamwoord dat. Dit komt omdat "toilet" een het-woord is, en bij het-woorden hoort het aanwijzend voornaamwoord dat (en niet die).

Voorbeelden

  • Is dat toilet nog vrij?
  • Ik moet snel naar dat toilet!

Verschil tussen die/dat en deze/dit

Die en dat gebruik je om naar iets te wijzen dat verder weg is, bijvoorbeeld in een andere kamer of in de verte. Deze en dit gebruik je als iets dichtbij is, bijvoorbeeld in dezelfde ruimte of zelfs in je hand.

  • Dat toilet is aan het einde van de gang. (verder weg)
  • Dit toilet is heel schoon. (dichtbij)