Is het die of dat deken?
die
deken
Het is die deken, dus niet "dat deken".
Voorbeeld: Die deken is warm.
Het aanwijzend voornaamwoord bij "deken"
Bij het woord deken gebruiken we het aanwijzend voornaamwoord die. Dit komt omdat "deken" een de-woord is (mannelijk of vrouwelijk) en die wordt gebruikt voor de-woorden die verder weg zijn of waarover we het hebben. Dus niet dat deken, maar die deken.
Voorbeeldzinnen met "die deken"
- Kun je die deken daar pakken?
- Die deken is erg warm en zacht.
Verschil tussen die/dat en deze/dit
Die en dat wijzen naar iets wat verder weg is, terwijl deze en dit naar iets dichtbij verwijzen. Bijvoorbeeld:
- Deze deken ligt hier naast me (dichtbij).
- Die deken ligt op de kast (verder weg).